Van pup tot volwassen hond

De vegetatieve fase – 1ste tot 3de week

De bewegingen

De twee belangrijkste functies van de kleine pup in deze fase zijn slapen en eten. Hiertoe moet hij zich zo goed kunnen bewegen, dat hij kan gaan drinken. Daarvoor staan hem verschillende bewegingswijzen ter beschikking die vanaf zijn geboorte aanwezig zijn. Enkele van die bewegingen zijn de buikligging en het oriënteren wat voor en achter is en het vermogen naar beide richtingen te kruipen. De pup beweegt in kleine kringetjes die hem zo ongeveer naar zijn uitgangspunt terugbrengen, voor het geval hij onderweg zijn moeder niet zou tegenkomen. Daarnaast is er zijn zoekdrang, waardoor hij snel zijn doel bereikt. De pup zwaait namelijk regelmatig met zijn kopje van links naar rechts heen en weer. Zo ‘peilt’ hij voortdurend zijn omgeving af en omdat de op haar zij liggende teef het grootste deel van het nest inneemt, is dit zoekend zwaaien meestal al voldoende om bij een plek van het moederlichaam te komen.

opvoeding pup - vegetatieve fase

De zintuigen

Een gezonde pup kan warmte waarnemen en zijn drang om naar de warmtebron toe te kruipen is volledig ontwikkeld. De belangrijkste warmtebron is de vacht van zijn moeder waarin de tepels zich bevinden. Zo gauw de pup de vacht heeft gevonden, drukt hij zijn neusje van onder naar boven in de vacht en duwt hij de haren omhoog totdat hij de tepel heeft gevonden. Dit ‘vachtboren’ gebeurt met een behoorlijke intensiteit en kracht. De onbehaarde tepel functioneert als een ‘sleutelprikkel’ die een zogenaamde erfcoördinaat vrijmaakt, namelijk de pup omvat de tepel met zijn voor dit doel speciaal ontworpen mondje. Dan werkt de aanraking opnieuw als een ‘sleutelprikkel’, waardoor een blokkade wordt opgeheven en het voor de hond zo typische ‘likzuigen’ volgt. Dit is een manier van zuigen, waarbij de tong masserende bewegingen maakt. Vervolgens zet het diertje zich met zijn achterpoten tegen de grond af om zodoende dicht tegen de tepel aangedrukt te blijven en daarmee ook met zijn kop krachtig tegen de melkklier te stoten, waardoor de melkproductie goed op gang kan komen. We zien ook het ‘melktrappen’, waarbij de zuigende pups hun voorpoten afwisselend tegen de omgeving van de tepel duwen, waardoor de melkklieren stevig worden gemasseerd.

Spoedig na de geboorte kan de pup ruiken. Bij het eerste zuigen wordt het geurbeeld van de moeder ingeprent. Er ontstaat een associatie tussen ‘zuigbevrediging’ en ‘tepelgeur’. De smaakwaarneming van de pup wordt hoofdzakelijk door zijn reukzintuig bepaald.

Belangrijk voor zijn bescherming is niet alleen dat hij zich terugtrekt voor bepaalde onaangenaam aanvoelende en ruikende dingen, maar ook zijn pijngevoeligheid. Een pup kan best veel hebben en zijn pijngevoeligheid is zeker niet sterk ontwikkeld, maar als je hem te ruw oppakt, merkt hij dat wel degelijk en probeert hij niet alleen weg te komen, maar laat ook zijn stemmetje horen. Dat dient als noodsignaal voor de moeder, als uitdrukkingsmiddel van pijn en tegenzin en misschien ook van ontevredenheid.

De overgangsfase

De overgang van het eerste stadium naar dat van de jonge hond betekent het ontwaken van de gehoor- en gezichtszintuigen. Je kunt hier geen scherpe grens trekken. De Amerikaanse gedragsonderzoeker J.P. Scott spreekt van een overgangsstadium tussen de vegetatieve en de inprentingsfase.

Deze overgangsfase begint met het opengaan van de oogspleetjes, waarbij tussen verschillende honden sterke schommelingen optreden. Sommige doen al na negen dagen hun ogen open, anderen pas na 19 dagen. In de meeste gevallen gebeurt dit tussen de 12de en 15de dag. In het begin kunnen ze nog niet zien, maar er is wel een reflex van de pupillen te onderscheiden. De nog bleekblauwe ogen bewegen zonder enige coördinatie en de pups kijken vaak erg scheel en hebben een uitermate ‘stompzinnige’ uitdrukking op hun gezicht. Op de 21ste dag moet het gezichtsvermogen volledig zijn ontwikkeld.

Ook het gehoor komt meestal niet vóór de 21ste dag volledig tot ontwikkeling. Dan pas reageert de pup op geluiden. We kunnen dit duidelijk waarnemen, want hij beweegt zijn oren en kruipt weg of deinst terug bij harde geluiden. We moeten er dan ook voor oppassen de pup te laten schrikken van harde geluiden. Elk nieuw geluid, een knal of een schreeuw kan voor een pup die overschakelt van de stilte naar een wereld vol geluiden, erg griezelig zijn.

Het reukvermogen komt in deze fase ook volledig tot ontwikkeling, dit proces is al op de 16de tot 18de dag voltooid. De hond is een ‘reukdier’ dus is het niet verwonderlijk dat het reukvermogen het eerst volledig tot ontwikkeling komt. Voor een hond vertelt zijn neus evenveel over zijn omgeving als ons oog dat met een verrekijker en vergrootglas hetzelfde doet. Zijn gehoor- en gezichtszintuigen vervullen daarbij een ondersteunende functie.

Juist omdat de hond een ‘reukdier’ is, heeft hij een enorme behoefte om dat geweldige zintuig voortdurend te kunnen blijven prikkelen. Daarom moet hij veel naar buiten en naar steeds nieuwe omgevingen. Natuurlijk is dit ook nodig voor zijn behoefte aan lichamelijke beweging, maar vooral voor zijn behoefte aan ‘geestelijke beweging’.

Tot nu toe deden de pups nauwelijks iets meer dan eten en slapen, maar in deze derde week vertonen ze een toenemende behoefte aan beweging. Het is een aarzelend begin, ze lopen eerst doelloos in het nest rond. We zien steeds meer bewegingen optreden: het heen en weer schudden van het korte staartje (daaruit zal eens het echte kwispelen voortkomen), het slaan met de pootjes, bijtspelletjes met zijn medepups en hert snuffelend onderzoeken van elkaar. Alles gebeurt nog in een vertraagd tempo en het maakt een grappige en bedaarde indruk.

We kunnen aan het eind van de derde week nu ook voor het eerst de pups horen grommen en zelfs blaffen. Ze beginnen te kauwen op alles wat los en vast zit, want nu zijn de snijtanden en de in het begin naalddunne melk-hoektandjes doorgekomen. Hoewel ze al beginnen op stukjes vlees te kauwen, kunnen ze die nog niet echt opeten. Daarom geeft de moeder half voorverteerde voeding terug, die de pups gretig oplikken. Ze dwingen haar door een bedelhouding het voedsel terug te geven: ze stoten met hun neusjes steeds opnieuw tegen haar mondhoek. Tegen het einde van de overgangsfase kunnen we dit bedelend aanstoten al als een sociale reactie zien: het is vragen, dat geven tot gevolg heeft. Hieruit blijkt hoe sterk het leervermogen van de jongen is, want al nadat ze voor eerste keer op deze wijze zijn bijgevoerd, hebben ze geleerd dat dit gedrag, het stoten met hun neusjes tegen de mondhoek, iets lekkers oplevert.

Dit gedrag is verschillend van het ‘melktrappen’ en vachtboren die niets met ervaring te maken hebben. Het kan overigens best zo zijn dat dit bedelend aanstoten niets anders is als een verandering van het vachtboren in een doelbewust, door ervaring geleid en vervolmaakt gedrag. Het bedelen bij de op het nest terugkerende ouders wordt tot een begroetings- en genegenheidsritueel, dat de pup later ook vertoont bij ons mensen, die hij als soortgenoten is gaan beschouwen (zie hieronder bij ‘inprentingsfase’). Hij wil ons ook een ‘mondhoekstootje’ geven, maar omdat wij ons hoofd zo hoog dragen, blijft hem, om dit doel te bereiken, niets anders over om tegen ons op te springen. Hetzelfde kunnen we zeggen over het ‘vachtboren’. Dit groeit later uit tot het tegen onze handen drukken van de neus.

Wie ben ik

Joep de Keyzer
  • Joep de Keyzer

  • Gediplomeerd hondengedragstherapeut
  • Ervaren docent en coach
  • Expert op het terrein van gedragsleer en het natuurlijk gedrag van de hond

Contact

Nieuwsgierig geworden. Heeft u vragen. Of wilt u afspreken? Neem contact op!

  • Praktijk voor hondengedrag Lykeios

  •  Peeskesweg 2, 7041 CB 's Heerenberg
  • Spreekuur Dierenkliniek de Pijp

  •   Ceintuurbaan 199, 1074 CV Amsterdam